Sorry, this site uses Scripting. You will have trouble accessing our pages with older browsers... 7U253 - Bouwkundig Representeren met CAD

last updated: 09-11-1998

AutoCAD R14 Tutorial

Doelstelling van de Tutorial

Deze tutorial van AutoCAD 14 is bedoeld als studiemateriaal bij verschillende colleges. Het betreft hier de colleges Modelleren met CAD (7m063) en Ontwerpen en Presenteren met ICT (7m253). Het kan dus zijn dat sommige commando's die hier vermeld worden (nog) niet voor jou van toepassing zijn, terwijl je andere commando's (als het goed is) al lang en breed kent.
Je kunt deze tutorial gebruiken als naslagwerk voor de oefeningen die voor de colleges gegeven worden. De architectonische begrippen en kaders waarin je de hier behandelde technieken kan toepassen worden besproken in onder andere het dictaat (7299) Architectuur 1 "Beeldcompositie", van Th. Dubbelman.

Voor dringende vragen kan je buiten de instructies om, met zekere mate, terecht via email bij de docenten van de betreffende colleges.
Regel is: omschrijf duidelijk je probleem, en geef je volledige naam en ID door. Vragen waarvan het antwoord in deze tutorial staat, worden niet beantwoord. Dus: gebruik deze tutorial!

Maak ook gebruik van de Public Folders die voor de verschillende colleges zijn te vinden in Outlook, onder Public Folders/Arch/Onderwijs.

Gedetailleerde informatie kan worden gevonden in de Online Help van AutoCAD: oproepen met F1 of het commando HELP.

Verwijzingen: In deze tutorial wordt regelmatig verwezen naar een pagina met toolbars, menus, etc., of naar afbeeldingen van bv. een dialoog-venster.


Inleiding


Algemeen

Wanneer je een commando in AutoCAD 14 wilt gebruiken, zijn er meestal drie manieren om dit uit te voeren. Ten eerste kun je het commando intikken op de opdrachtregel. Dit commando kun je activeren door op <ENTER> te drukken of op de spatiebalk (deze heeft dezelfde functie als de <ENTER>-toets). Een tweede mogelijkheid is gebruik te maken van een button op een toolbar. Deze toolbars van hebben zogenaamde 'hints'. Wanneer je even wijst naar een button verschijnt een korte indicatie van het commando dat je met de button activeert. Aangezien er vele toolbars zijn, worden deze niet standaard op je scherm geplaatst: je zou dan geen ruimte meer hebben om te tekenen. Toolbars kun je opvragen via het menu View | Toolbars. Je krijgt dan het Toolbar dialoogvenster, waarin je kunt aanvinken welke toolbars je op je scherm wilt zien.
Een derde mogelijkheid om een commando te activeren is via menu's, analoog aan het selecteren van commando's in andere Windows gebaseerde programma's. Voor de volledigheid is er een overzicht van de te gebruiken toolbars en menu's gemaakt.

Beginnen met AutoCAD 14

Wanneer je begint met AutoCAD, moet je een reeds bestaande tekening openen, of een nieuwe tekening beginnen. Je hebt drie mogelijkheden om een tekening te openen:

In het dialoogvenster kun je dan een tekening (.dwg) openen om verder te bewerken. Het maken van een nieuwe tekening gaat op ongeveer dezelfde manier, zij het dat je iets andere vensters krijgt. Wanneer je de (al of niet lege) tekening op je scherm hebt, kun je door middel van verschillende commando's beginnen met tekenen. Tekenen in AutoCAD doe je met behulp van de muis, of door het handmatig invoeren van coördinaten. Voordat je echter met je tekening kunt beginnen, moet je een aantal commando's en instellingen weten te vinden, zodat je je tekening goed kunt opzetten. Achtereeenvolgens kun je die terugvinden in de tabellen Instellingen en Algemene commando's. Na enige algemene (maar geenszins onbelangrijke!) informatie over hoe AutoCAD omgaat met entiteiten, wordt een aantal commando's voor het 2-dimensionaal tekenen behandeld, en daarna voor het 3-dimensionale tekenen.

Instellingen

Een aantal instellingen is in AutoCAD van belang voordat je met het modelleren kan beginnen:

instelling menu, button en / of toolbar mogelijkheden
Limits Format | Drawing Limits De tekening wordt hiermee niet echt begrensd, wel het veld waarin het grid wordt getoond.
Instelling van de Limits bijvoorbeeld: van 0,0 tot 270,180. In mm past dit goed binnen een A4.
Snap / Grid Tools | Drawing Aids

Snap beperkt de punten die je kunt invoeren, Grid is alleen een patroon van puntjes.
Stel Snap in op bijvoorbeeld X = 5 en Y = 5.
Stel Grid in op bijvoorbeeld X = 10 en Y = 10.
Snap / Grid / Ortho Statusbar

Hierop dubbel klikken om Snap, Grid en Ortho aan en uit te zetten.
Met Ortho kan je het tekenen tot orthogonaal beperken.
Coords Statusbar

Door dubbel te klikken op de coordinaten links onder in de statusbar kan je veranderen hoe de coordinaten worden getoond. Dit is een toggle (een 'schakelaar') met drie mogelijke standen:
  • uit: er worden geen coordinaten weergeven
  • absoluut: er worden absolute coordinaten weergegeven
  • relatief: er worden relative coordinaten weergegeven.

Met name de laatste optie is handig wanneer je aan het tekenen bent: je kan dan zien wat de coordinaten zijn ten opzichte van het laatste punt dat je hebt ingevoerd: zo zie je bijvoorbeeld hoe lang een lijn gaat worden die je aan het tekenen bent.

Algemene commando's

Verder zijn de volgende algemene commando's van belang:

commando menu, button en / of toolbar mogelijkheden
Zoom
View | Zoom
Standard Toolbar
Zoom in, zoom out, zoom window, zoom all, etc.
Kijk ook eens naar Zoom Dynamic, Zoom Center, etc.
Undo / Redo
Menu | Edit | Undo of Redo
Standard Toolbar
Gebruik de linker pijl om acties ongedaan te maken (Undo), en de rechter om de Undo weer ongedaan te maken (Redo). Voor Undo kun je ook <CTRL+Z> of u intikken, voor Redo is dat <CTRL+Y> of Redo.
Redraw
View | Redraw
Standard Toolbar
Het verversen van de display: maakt schoon schip. Kan ook door R in te tikken (gevolgd door een Enter)
Regen intikken Tik Regen in om de tekening opnieuw te genereren.
Hide
View | Hide
Render Toolbar
Met Hide kan je zien hoe het model eruit ziet wanneer het niet transparant is (de verborgen lijnen achter een vlak worden niet getoond). In plaats van de button of het menu te gebruiken kun je ook hide intikken. Daarna kan je met Regen weer de gehele geometrie zien.
Erase
Modify | Erase
Modify Toolbar
Om entiteiten te verwijderen in AutoCAD kun je gebruik maken van het commando erase. Het is ook voldoende om de letter e in te tikken, gevolgd door een Enter.
Escape-toets intikken Ieder commando kan met de Escape toets worden onderbroken.

Layers

Properties Toolbar Zoals bekend, uit het eerste jaar, wordt in AutoCAD getekend op Layers. Layers zijn een mechanisme om de entiteiten in je tekening te onderscheiden. Je kan layers daartoe o.a. 'bevriezen' en 'ontdooien' en een kleur geven. Met behulp van de Properties Toolbar kunnen de layers worden aangemaakt en gemanipuleerd. Nieuwe entiteiten worden steeds getekend op de actieve (current) layer.

In de het dialoogvenster voor Layer Control kan je een nieuwe layer aanmaken (op New klikken en dan de naam intikken), en layers manipuleren door ze te selecteren en de instellingen, zoals de kleur en het lijntype, te veranderen. Je kan hier ook layers bevriezen (Freeze, op verschillende manieren) en ontdooien (Thaw). Klik daartoe op de icoontjes die op de regel van de layer staan. In dit dialoogvenster kun je tevens de actieve (current) layer instellen.

Het bevriezen en ontdooien gaat ook direct op de Properties Toolbar met het zonnetje voor iedere layer in het pull-down menu voor layers. Selecteren van een layer maakt de layer actief (current).

Layers kunnen, wanneer er niets op is getekend, worden weggegooid met het command Purge (zie Online Help).

Naar 3DSDe indeling van de layers is met name belangrijk wanneer je de overstap gaat maken naar 3D Studio: de objecten in 3DS kunnen worden gemaakt op basis van het onderscheid in layers. Dit betekent dat alle AutoCAD entiteiten die op één layer staan straks in 3DS één object worden. Houd hiermee nu al rekening: je kan in een gebouw onderscheid maken naar bijvoorbeeld materiaal, verdieping, soort bouwdeel, etc. Denk aan layers voor 'binnenwanden op de begane grond', 'buitenraam-kozijnen op verdieping 3', etc. Ook bij de follie in de oefeningen kan je een soortgelijk onderscheid goed gebruiken.

Paperspace en Modelspace

AutoCAD 14 kent eigenlijk twee 'omgevingen' waarin getekend kan worden. De eerste, die je gebruikt om je model te tekenen, is Modelspace. Wanneer je op schaal 1:1 tekent, kun je van je tekening direct zowel een plattegrond als ingezoomde details printen op papier. Dit doe je door over te schakelen of Paperspace. Het origin-icoon linkspnder in beeld verandert in een driehoek. In Paperspace maak je de layout voor de te printen tekening. Je kunt hier weer gewoon tekenen, bijvoorbeeld het kader en het renvooi voor je tekening. Daarna kun je (binnen dat kader) viewports 'inserten', met ieder een eigen schaal, viewpoint, aan- of uitstaande layers en dergelijke. Ook drawing-limits kun je in Paperspace instellen, net zoals je dat in Modelspace doet.

Bijvoorbeeld:
Je hebt een drie-dimensionale tekening gemaakt (schaal 1:1) en je wilt op één tekening een plattegrond, een 3D-view en een detail hebben. Via het menu View | Paperspace schakel je van Modelspace over naar Paperspace. Stel hier de juiste limits in (bijvoorbeeld de afmetingen van het papier waarop je wilt printen) en teken een kader en renvooi. Je hebt nu dus het papier getekend. Nu moet je nog het huis erop plaatsen. Dit doe je door viewports erop te zetten, waarin de tekeningen komen te staan. Hier hebben we drie viewports nodig, dus selecteer: menu View | Floating Viewports | 3 Viewports (plattegrond, 3D-view en detail). Als je de viewports hebt neergezet, verschijnt in elke viewport de tekening zoals je die in Modelspace hebt getekend. Om een goede indeling op je tekening te krijgen, kun je de viewports eventueel nog selecteren, vergroten (via de grips) en verplaatsen (comando move). Je kunt daarna via View | Modelspace (Floating) per viewport bepalen wat je wilt zien. Wanneer je in deze modus in een viewport klikt, dan wordt dat viewport actief en voorzien van een iets dikkere witte rand. Voor elk viewport kun je een viewpoint instellen, inzoomen op een detail (via zoom) of bijvoorbeeld layers uitzetten. Dit laatste doe je door in het dialoogvenster Layer Control (via de Properties Toolbar) het zonnetje met een viewportje erbij (derde icoontje vanaf links (Freeze/Thaw in current viewport)) aan te klikken.
Je kunt altijd weer terug naar je 'gewone' tekening via View | Modelspace (Tiled), om aanpassingen te maken aan je model. Je 'paperspace-tekening' wordt automatisch bewaard. Als je de afbeeldingen in de viewports af hebt, kun/moet je nog tekst toevoegen op je tekening. Dit doe je weer in Paperspace. Als je helemaal klaar bent, kun je gaan printen.

Printen van een tekening

Als je tekening klaar is, kan hij geprint (geplot) worden. In de tabel staan de commando's die te maken hebben met het kiezen en instellen van een printer. Wanneer je klaar bent om te printen, zorg er dan voor dat je er zeker van bent dat je de juiste printer geselecteerd hebt en dat de instellingen goed staan. Selecteer daarom alrijd eerst de optie Preview | Full in het printer configuration dialoogscherm, om te kijken of de tekening zo uit de printer zal komen, zoals jij dat wilt. Verkeerde prints kosten niet alleen onnodig veel papier, maar ook veel tijd om alles weer opnieuw te versturen.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
Print Preview
File | Print Preview
Toont het beeld zoals het uiteindelijk geprint zal worden. Deze functie is dus erg belangrijk om er zeker van te zijn dat de print wordt zoals jij dat wilt. Wanneer je de linker muisknop ingedrukt houdt, kun je in- of uitzoomen. Met de rechter muisknop krijg je een menu'tje met verschillende opties (onder ander exit).
Print...
File | Print
Standard Toolbar
Met deze optie kom je terecht in het print-dialoogvenster. Vanuit hier kun je een printer selecteren (via Device and Default Selection), kleuren, pendiktes of grijswaarden toekennen (via Pen Assignments), en instellen welk gebied je geprint wilt hebben. Wanneer je alle opties hebt ingesteld (dus printer, lijndiktes/kleuren, te printen gebied, papierformaat, schaal), dan kun je ook vanuit dit dialoogvenster kijken hoe de print eruit zal komen te zien (Preview • Full).
Wanneer je een tekening naar een bestand wilt opslaan (om bijvoorbeeld via FTP of Plotf naar het rekencentrum te versturen), dan moet je de optie Plot to File aanvinken en via de knop Filename een naam en plaats op de harde schijf (niet op floppy!) invoeren. Je tekening wordt nu als een bestand (een zogenaamde plotfile) opgeslagen, waarna je deze kan versturen naar de juiste printer. (Uiteraard is het wel van belang dat je in AutoCAD ook de juiste printer hebt geselecteerd.)


Tekenen in AutoCAD 14


Invoeren van coördinaten

Coördinaten kunnen in AutoCAD met de muis, danwel met het toetsenbord worden ingevoerd. Het gebruik van Snap en Ortho maakt het gemakkelijker met de muis in te voeren, maar het intoetsen van coördinaten is vaak nauwkeuriger.

Met Snap wordt de invoer van punten beperkt tot een ingesteld raster van punten (vergelijkbaar met Grid, doch niet noodzakelijk hetzelfde). Daarnaast is er nog Object Snap. Hiermee kan worden gerefereerd aan een punt van een andere entiteit, bijvoorbeeld het eindpunt van een lijn. Zie hiervoor de Object Snap Toolbar of het Object Snap menu. Je kan een Object Snap ook permanent aanzetten, doe dat in het menu Tools | Object Snap Settings en de dialog box Osnap Settings.

Het intoetsen van coördinaten kan op een aantal manieren:

wijze van invoeren voorbeeld
absolute coördinaten 100,150,200 (in volgorde X, Y, en Z)
relatieve coördinaten @100,80,0 (een afstand in X, Y, en Z ten opzichte van het laatst ingevoerde punt)
relatief onder een hoek @200<45 (een afstand 200 in de richting van 45 graden, hierbij is 0 graden naar rechts)

Een ander belangrijk hulpmiddel bij het aangeven van punten is het gebruik van Coördinaat-filters (Point Filters). Deze vind je in het Object Snap menu (<SHIFT> + rechter muisknop), of je tikt ze in. Met bijvoorbeeld het filter .X filter je uit een ingegeven punt de X-coördinaat (deze wordt onthouden en toegepast in het nieuwe punt), vervolgens geef je de Y- en Z-coördinaat nog aan.

Using Filters Het voorbeeld hiernaast tekent een lijn die begint bij het punt dat rechts uitlijnt met de rechthoek, en in Y-richting met het centrum van de cirkel. De filters zijn steeds geselecteerd met 'Shift-Rechter-Muisknop'.

Command: line
From point: .X of _endp of [selecteer het hoekpunt van de rechthoek]
(need YZ): _center of [selecteer de cirkel]
To point: [teken de lijn verder...]

Entiteiten

AutoCAD is een 3D-modelleer programma. Dat wil zeggen dat er objecten, entiteiten (entities), kunnen worden gemaakt in 1, 2, en 3 dimensies. Hieronder volgt een beknopt overzicht van de entiteiten die je met AutoCAD kunt maken. De meeste 2D entiteiten kunnen ook een dikte (thickness) krijgen en een hoogte (elevation), waardoor ze half 3D worden: 2½D dus.

1D Point
2D, 2½D Line, Pline (Polyline), Solid, Circle, Text
3D 3Dpoly, 3Dface, Mesh, 3D Solids (bv. Box, Wedge, Sphere, Cylinder, Cone) en 3D Surfaces

In de oefeningen bij de verschillende colleges zullen we vooral 3D objecten gaan maken, meestal op basis van eenvoudige 2D entiteiten, zoals lijnen. In onderstaande tabellen wordt in het kort uitgelegd hoe je de verschillende entiteiten kunt tekenen; eerst volgt een overzicht van de in de oefeningen te gebruiken 2D-entiteiten, daarna de 3D-entiteiten. Wanneer een commando hier niet wordt beschreven, kun je altijd de Help-functie in AutoCAD raadplegen (via F1).

2D-entiteiten

Ondanks dat het meerendeel van de oefeningen een 3D-resultaat beoogt, zul je ook de 2D-entiteiten moeten beheersen om tot een goed resultaat te komen. Wanneer je bijvoorbeeld een plattegrond voor een bestektekening wilt tekenen, dan kun je dit meestal volledig twee-dimensionaal doen. Ook het plaatsen van hulplijnen kan vaak eenvoudig gedaan worden door het tekenen van een 2D of 2½D-element. Met nagenoeg alle opties op de Draw toolbar kun je 2D-entiteiten creëren.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
Circle
Draw | Circle
Draw Toolbar
Met het commando Circle kun je een cirkel tekenen. Je hebt daartoe de keuze uit verschillende mogelijkheden om aan te geven hoe je de cirkel wilt definiëren, bijvoorbeeld door 2 of 3 punten op de te tekenen cirkel te kiezen.
Line
Draw | Line
Draw Toolbar
Met het commando Line kun je een eenvoudige 2-dimensionale lijn tekenen. Door middel van het aanklikken van punten met de muis of het handmatig invoeren van coördinaten wordt een lijnstuk neergezet. Totdat je een <ENTER> geeft (of een klik op de rechter muisknop) wordt dit commando steeds opnieuw uitgevoerd, zodat je aaneengesloten lijnstukken kunt tekenen die precies op elkaar aansluiten. Bij selecteren wordt steeds één lijnstuk geselecteerd. (NB: lijnen kun je ook een Z-coördinaat meegeven.)
PLine
Draw | PLine
Draw Toolbar
Wanneer je een polyline tekent, ontstaat er een lijn die is opgebouwd uit verschillende lijnsegmenten, maar die bij selecteren als één lijn wordt gezien. Op een polyline kun je verschillende bewerkingen uitvoeren, zoals het geven van een dikte (width). Via het menu Modify | Object | Polyline of het intikken van het commando pedit (van polyline_edit), heb je verschillende mogelijkheden om de lijn te wijzigen, of verschillende polylijnen aan elkaar te koppelen.
Rectangle
Draw | Rectangle
Draw Toolbar
Het tekenen van een rechthoek doe je door middel van het aangeven van twee diagonaal tegenover elkaar liggende hoekpunten. Daarbij heb je nog de mogelijkheid om bijvoorbeeld ronde hoeken te definiëren, een elevation mee te geven en dergelijke.

Command: rectangle
Chamfer/Elevation/Fillet/Thickness/
Width/<First corner>: [geef een hoekpunt aan of selecteer een optie]
Other corner: [geef het diagonaal tegenover liggende hoekpunt aan]

3D-entiteiten

Het tekenen van drie-dimensionale entiteiten in AutoCAD is relatief eenvoudig, vooral door gebruik te maken van de primitives die al standaard aanwezig zijn. Je hebt de keuze uit 3D-wireframes, 3D-surfaces en 3D-solids. In het eerste geval wordt een soort drie-dimensionaal skelet van een model gecreëerd. Dit is opgebouwd uit lijnen en punten, zonder vlakken (surfaces) ertussen. Een 3D-surface is opgebouwd uit randen (edges) en vlakken (faceted surfaces oftewel meshes). Van deze 3D-objecten kun je elk vlak individueel wijzigen met behulp van de grips. Bij een 3D-solid is dit niet mogelijk. Zo'n solid wordt echt als één entiteit gezien.

Surfaces

Om een 3D-surface-object te tekenen, is het het eenvoudigst om gebruik te maken van de buttons op de Surfaces Toolbar of via het Draw | Surfaces | 3D Surfaces-menu. Deze laatste optie brengt je in het 3D-Objects dialoogvenster, waarin je een object kunt selecteren om te tekenen.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
ai_box
Draw | Surfaces | 3D Surfaces
Surfaces Toolbar
Om een box te tekenen dien je een hoekpunt, de lengte, breedte en hoogte op te geven. Ook heb je de mogelijkheid om direct een kubus te maken. Na het invoeren van de hoek waaronder je de box wilt hebben staan, wordt deze in je tekening geplaatst.
ai_sphere
Draw | Surfaces | 3D Surfaces
Surfaces Toolbar
Het tekenen van een bol (een sphere) met behulp van surfaces, gaat via het commando ai_sphere, of via de hiernaast getoonde button of menu. Je kunt, na het opgeven van het cetrum van de bol, het aantal vlakken (longitudinal segments = verticaal, latitudinal segments = horizontaal) ingeven waaruit de bol moet worden opgebouwd (vergelijk het aantal horizontale en verticale segmenten van de bol met de meridianen van de aarde). Hoe meer vlakken, hoe ronder de bol, maar ook hoe groter (in kb) en hoe reken-intensiever.
ai_dome
Draw | Surfaces | 3D Surfaces
Surfaces Toolbar
Halve bollen (met de gesloten zijde naar boven) zijn te maken door een dome te definiëren. Net als bij het maken van een bol (sphere) dien je ook hier het aantal horizontale en verticale segmenten in te voeren. Ook hier geldt weer: hoe groter het aantal segmenten, hoe mooier de ronding.
ai_dish
Draw | Surfaces | 3D Surfaces
Surfaces Toolbar
Idem aan ai_dome, met het verschil dat de gesloten zijde naar beneden gericht is.
3d_mesh
Draw | Surfaces | 3D Mesh
Surfaces Toolbar
Met het commando 3d_mesh kun je zeer onregelmatige vormen definiëren. Door het invoeren van een matrix van coördinaten, worden vlakken tussen deze punten getekend. Een 3D-mesh zou bijvoorbeeld goed gebruikt kunnen worden om een onregelmatig (berg)landschap te tekenen.

Command: _3dmesh
Mesh M size: 3 [geef het aantal rijen op]
Mesh N size: 4 [geef het aantal kolommen op]
Vertex (0, 0): [voer het eerste punt m=0, n=0 in]
.......... [voer de overige punten in]
Vertex (2, 3): [voer het laatste punt m=2, n=3 in]

Het invoeren van de punten kan met behulp van het toetsenbord, of met de muis. Een handig hulpmiddel hierbij zijn de pointfilters. Let op! Je geeft bij het invoeren van de M- en N-size het aantal punten op waaruit de matrix bestaat, niet het aantal vlakken!

revsurf
Draw | Surfaces | Revolved Surface
Surfaces Toolbar
Met een revolved surface kun je eenvoudig vormen maken die om een as draaien. Als je bijvoorbeeld een kegel wilt tekenen, kun je het volgende doen:
actie resultaat
1. teken de lijn die de rand van de kegel voorstelt (bijvoorbeeld met het commando spline)
2. teken een hulplijn die je als as kunt gebruiken (dit is dus de as in het middelpunt van de kegel)
3. activeer het commando revsurf
4. bij de prompt select path curve : selecteer je de kegeldoorsnede
5. bij de prompt select axis of revolution : selecteer je de hulplijn
6. als start angle geef je de waarde 0 op en als included angle accepteer je de default Full circle. De kegeldoorsnede wordt nu om de as heen gedraaid. De resulterende kegel bestaat nu uit vlakken. Het aantal vlakken kun je opgeven met de variabelen SURFTAB1 en SURFTAB2.
Met SURFTAB1 = 16 en SURFTAB2 = 32 wordt de kegel:
rulesurf
Draw | Surfaces | Ruled Surface
Surfaces Toolbar
Rulesurf maakt surfaces tussen twee lijnen. Dit kunnen zowel rechte als gebogen lijnen zijn.

Command: _rulesurf
Select first defining curve: [selecteer de eerste lijn]
Select second defining curve: [selecteer de tweede lijn]

De ruimte tussen de lijnen wordt nu opgevuld met surfaces. Met de variabele SURFTAB1 kun je het aantal vlakken opgeven.

edgesurf
Draw | Surfaces | Edge Surface
Surfaces Toolbar
Door het opgeven van vier randen (edges) kun je op een eenvoudige manier onregelmatige vormen maken. De edges kunnen ook 3D-lijnen zijn. Met de variabelen SURFTAB1 en SURFTAB2 kun je weer het aantal vlakken in X- en Y-richting definiëren.

De 3D-surface-objecten die hier niet behandeld zijn, kun je min of meer op dezelfde manier als hierboven beschreven, maken.

Solids

Je kan ook direct 3DSolids maken in AutoCAD. Gebruik hiervoor de diverse commando's op de Solids Toolbar of via het menu Draw | Solids. Deze commando's spreken voor zich: Box, Sphere, Cylinder, Cone, Wedge, Torus. Voor de meesten hiervan zijn er verschillende mogelijkheden om het object te definiëren, bijvoorbeeld met hoekpunten of vanuit het centrum.

Wanneer de 3DSolids eenmaal zijn gemodelleerd kunnen ze worden gemanipuleerd om te komen tot een compositie.

Van regions naar solids.

Een vierde manier om 3D-entiteiten te creëren, is het maken van een region. Een Region is een entiteit in AutoCAD die bestaat uit een omlijnd oppervlak in het platte vlak. Regions kunnen op twee manieren worden gemaakt: met het commando Region en met het commando Boundary.

Extruded RegionWanneer je eenmaal een Region hebt, kan je deze in de hoogte optrekken met het commando Extrude (via menu Modify | Boolean | Subtract) of de button op de Solids Toolbar. Geef hierbij de gewenste hoogte aan, en de hoek van de opgaande vlakken ten opzichte van de verticaal. Het resultaat is een 3DSolid.

NB.: Het is niet noodzakelijk een Region te genereren om deze te extruderen naar een 3DSolid, dit kan ook met een Polyline. Echter, een Polyline is in 2D, dus voor het extruderen, niet een gesloten vlak maar slechts een omtrek. Bovendien kan je Polylines niet van elkaar aftrekken, terwijl dit met Regions wel kan.

Voor het maken van een 3DSolid met een gat erin, kan je vóór het extruderen twee Regions van elkaar aftrekken (commando Subtract intikken, via het menu Modify | Boolean | Subtract of via de button op de Modify II Toolbar). Op deze wijze dus:

Subtract RegionsSubtracted Regions in Hidden View

Entiteit manipulaties

Nadat entiteiten zijn gegenereerd zullen ze vaak moeten worden gemanipuleerd. Een aantal mogelijkheden is hieronder opgesomd: probeer ze eens uit! De verschillende commando's vind je op de Modify Toolbar of via het Modify menu.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
Array
Modify | Array
Modify Toolbar
Array kan worden gebruikt om een entiteit in veelvoud te copiëren over een regelmatig patroon. Er is een Rectangular Array en een Polar Array. Bij het Rectangular Array geef je aan hoeveel rijen en kolommen en welke afstanden daartussen je wilt hebben. Bij het Polar Array geef je aan hoeveel entiteiten je uiteindelijk wilt hebben, en over hoeveel graden deze verdeeld moeten worden.
Chamfer
Modify | Chamfer
Modify Toolbar
Met Chamfer kan een rechte hoek veranderd worden naar een niet rechte hoek. Hiertoe dien je een waarde op te geven vanaf het hoekpunt tot aan het punt waar de de niet-rechte hoek moet beginnen. Dit moet je doen voor beide haaks op elkaar staande lijnen.
Copy
Modify | Copy
Modify Toolbar

Command: copy
Select objects: [selecteer een object] 1 found
Select objects: [Enter]
<Base point or displacement>/Multiple: _endp of [selecteer een eindpunt,of 'm' voor meerdere copieën.]
Second point of displacement: [prik een ander punt]

Nu is een copy gemaakt van de entiteit, relatief ten opzichte van het geselecteerde eindpunt.

Explode
Modify | Explode
Modify Toolbar
Met het commando Explode kunnen blocks, polylines (of in het algemeen: uit meerdere elementen samengestelde entiteiten) in hun afzonderlijke entiteiten gesplitst worden. Hierdoor is het mogelijk om elke entiteit individueel te wijzigen.
Extend
Modify | Extend
Modify Toolbar
Met Extend verleng je een entiteit tot aan een andere entiteit. Wijs eerst de entiteiten aan tot waar je wil verlengen (the boundary edges), vervolgens de entiteiten die verlengd moeten worden.
Fillet
Modify | Fillet
Modify Toolbar
Fillet is nagenoeg identiek aan Chamfer, met het verschil dat je hiermee ronde hoeken kunt maken. Wanneer je bijvoorbeeld een rechthoek (vierhoek) met afgeronde hoeken wilt tekenen, geef je na het commando rectangle de letter f (van fillet) en een straal (radius) aan. In plaats van rechte hoeken, wordt de vierhoek dan getekend met afgeronde hoeken.
Mirror
Modify | Mirror
Modify Toolbar
Geef een spiegellijn aan. Daarna kan je kiezen of de oorspronkelijke entiteit moet blijven staan of niet. Tip: gebruik Ortho (dubbel klikken op de Statusbar) om een verticale of horizontale speigellijn aan te geven.
Move
Modify | Move
Modify Toolbar
Verplaatsen van een entiteiten: geef een beginpunt en een eindpunt van de verplaatsing, of geef de verplaatsing en een extra Enter:

Command: move
Select objects: [selecteer een object] 1 found
Select objects: [Enter]
Base point or displacement: [prik een punt]
Second point of displacement: @120,80

De entiteit verplaast 120 in X-richting, en 80 in Y-richting.

Offset
Modify | Offset
Modify Toolbar
Met Offset kan een copy van een entiteit worden gemaakt die parallel loopt aan het origineel, op een bepaalde afstand van het origineel. De afstand tussen origineel en copy is daarbij overal gelijk. Offset kan worden gebruikt voor o.a. de entiteiten line, pline, circle en arc. De afstand kan je aangeven door hem in te tikken, of door een punt aan te geven waardoor de copy zal gaan (through), zoals in het voorbeeld hieronder.

Command: offset
Offset distance or Through <10.0000>: t [geef een afstand of 't' voor Through]
Select object to offset: [selecteer het origineel]
Through point: [prik een punt waardoor de copy zal gaan]
Select object to offset: [Enter of Escape om te stoppen]

Rotate
Modify | Rotate
Modify Toolbar
Selecteer een entiteit, een rotatie-punt en geef een rotatie in of prik een punt.

Command: rotate
Select objects: [selecteer een object] 1 found
Select objects: [Enter]
Base point: [prik een punt waarom wordt geroteerd]
<Rotation angle>/Reference: 45

Hier is de entiteit 45 graden geroteerd.

Trim
Modify | Trim
Modify Toolbar
Entiteiten kunnen worden afgeknipt met het commando Trim. Wijs eerst de entiteiten aan die knippen (the cutting edges), vervolgens de entiteiten die geknipt moeten worden, klik daarbij aan de kant die afgeknipt moet worden. Trim kan worden toegepast op Lines, Arcs, PLines.


Behalve de Modify Toolbar is er nog een Modify II Toolbar. Hiervandaan kun je eveneens een aantal entiteiten bewerken. Deze zul je waarschijnlijk minder gebruiken dan de mogelijkheden die de eerste Modify Toolbar biedt. De laatste drie mogelijkheden van de Modify II Toolbar (union, subtract en intersect) zijn echter wel belangrijk. Deze commando's werken alleen op solids of regions, niet op surfaces. Elders in deze tutorial wordt al het één en ander gezegd over deze mogelijkheden, maar hier staan ze op een rijtje.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
union
Modify | Boolean | Union
Modify II Toolbar
Met union kun je solids of regions aan elkaar koppelen. Het is echer niet noodzakelijk dat deze objecten elkaar raken. Selecteer twee of meer solids en na een <ENTER> kun je deze bewerken als één object. Let op! Als je eenmaal een union hebt gemaakt, kun je de verschillende enititeiten niet meer afzonderlijk bewerken, ook niet na exploderen. (In dat geval wordt namelijk het hele 3D-object in vlakken geëxplodeerd.)
subtract
Modify | Boolean | Subtract
Modify II Toolbar
Door het commando subtract te gebruiken, kun je stukken van een solid aftrekken. Selecteer eerst het 'moeder-object' (waar iets af moet), geef een <ENTER> en selecteer het object / de objecten die eraf moet(en). Zie ook het voorbeeld bij het gedeelte over regions.
intersect
Modify | Boolean | Intersect
Modify II Toolbar
Met intersect kun je van overlappende gedeelten van objecten een nieuw object maken. Aan de hand van een voorbeeld wordt dit toegelicht.

Een hieraan gerelateerd commando is het interfere-commando ( op de Solids Toolbar). Hierbij blijven echter de twee originele objecten bestaan.

Er zijn nog andere manipulatie- of modificatie-mogelijkheden in AutoCAD. Afhankelijk van het object dat je selecteert, krijg je verschillende dialoogvensters of commandoregels.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
ai_propchk
Modify | Properties
Properties Toolbar
Wanneer je van één of meerder objecten tegelijk eigenschappen (properties) wilt wijzigen, kan dat door middel van dit commando. Afhankelijk van het type object en het aantal dat je selecteert, krijg je het juiste dialoogvenster om dat object te veranderen, bijvoorbeeld het line-, polyline-, 3D-solid- of Change Properties-dialoogvenster.
change intikken Hiermee kun je nagenoeg dezelfde properties van een entiteit veranderen, alleen krijg je geen dialoogscherm te zien, maar gaat alles via de commandoregel. Onder andere is hiermee de elevation te veranderen (zie hieronder).
ddmodify intikken Hiermee is hetzelfde mogelijk als met ai_propchk, met het verschil dat er slechts één object te selecteren en veranderen is. De dialoogvensters zijn hetzelfde.
elev intikken Met het commando elev kun je een standaard waarde invoeren voor de elevation en de thickness (zie hieronder). Nieuw te tekenen entiteiten krijgen dan automatisch deze waarden mee.
elevation intkken, of als optie selecteren tijdens definiëren van een entiteit Wanneer je een elevation-waarde meegeeft aan AutoCAD, dan worden nieuw te tekenen entiteiten (vanaf het moment van invoeren van de elevation-waarde) opgetild boven het platte vlak en krijgen dus een Z-coördinaat mee. Wanneer je dit per entiteit wilt regelen, moet je dat doen via het commando Change | Properties | Elevation, of door de Z-coördinaten te veranderen in een modify-dialoogvenster.
thickness intikken, of als optie selecteren tijdens definiëren van een entiteit Net als bij het invoeren van een elevation-waarde, kun je een thickness-waarde invoeren. Alle nieuw te tekenen entiteiten krijgen dan een dikte (hoogte) mee. Je kunt dus, door middel van het tekenen van een (poly)line met een thickness, een vlak creëren. Per entiteit is de thickness te veranderen op de eerder bij elevation beschreven manieren.

Entiteiten selecteren

Er zijn vele mogelijkheden om in AutoCAD entiteiten te selecteren.

Ten eerste kan dit door een entiteit aan te klikken met de muis. Hiermee selecteer je dus steeds één object. Wanneer een entiteit geselecteerd is, worden op de hoekpunten en de middelpunten zogenaamde Grips gezet. Met behulp van deze grips is het eenvoudig om verschillende bewerkingen op het object uit te voeren. Als je met de muis in zo'n grip klikt, wordt die grip geselecteerd en kun je, door op de rechter muisknop te drukken, het grip-edit-menu te zien krijgen. Hier kun je weer een bewerking kiezen die je op die grip wilt uitvoeren. Een andere mogelijkheid om te kiezen uit deze 'grip-bewerkingen' is door middel van de <ENTER>-toets. Elke keer als je een <ENTER> geeft, verandert de bewerkingsoptie op de commandoregel.
Om meerdere entiteiten tegelijk te selecteren kun je gebruik maken van een window. Klik met de muis op een leeg gedeelte op je tekenscherm en beweeg de muis. Je ziet nu een window ontstaan, met een doorgetrokken of een stippellijn. Door een window van links naar rechts te trekken (doorgetrokken lijn) maak je een Window selectie. Alle objecten die geheel binnen dit window liggen, worden geselecteerd. Door een window van rechts naar links te trekken, maak je een Crossing selectie (stippellijn). Alle objecten die geheel of gedeeltelijk binnen dit window liggen, worden geselecteerd.
Een andere mogelijkheid om entiteiten te selecteren, is het intikken van het commando select, en hierna een keuze te maken uit wat je wilt selecteren: p, l, all, wp, cp, en zo verder. Gebruik Previous voor een herhaling van de vorige selectie, en Last voor selectie van het laatst getekende object.

Een speciale mogelijkheid is Filter. In bepaalde gevallen kan het zijn dat je een object niet kunt selecteren, bijvoorbeeld omdat er een ander object bovenop ligt. In die gevallen kan met Filter worden aangegeven welke objecten uit de selectie je wil gebruiken. Zie hiervoor de dialog box voor Object Selection Filters (te bereiken door het intikken van filter) en de Online Help daarbij.

De diverse selectie methoden kunnen 'transparant' worden gebruikt, d.w.z. dat je ze kan aanklikken terwijl een ander commando, bijvoorbeeld Copy, actief is.

Blocks

Stel, je wilt in een flatgebouw 300 wc's plaatsen. Om jezelf dan veel tekenwerk te besparen, kun je gebruik maken van blocks. Dit zijn eigenlijk kleine (of grotere) tekeningen in je tekening. Als je dus eerst een wc in de tekening van het flatgebouw of in een nieuwe tekening tekent (2D of 3D), dan kun je die later als block importeren in je uiteindelijke tekening. Dat dit veel tijd bespaart, moge duidelijk zijn.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
bmake
Draw | Block | Make
Draw Toolbar
Met het bmake-commando (block_make) kun je een block in je huidige tekening definiëren. Het dialoogvenster Block Definition verschijnt. In dit venster geef je een naam aan het block, je selecteert een basispunt (insertion point) voor je block en de entiteiten (select objects) die je aan dat block wilt koppelen. Met de knop List Block Names... kun je zien welke blocks er al gedefinieerd zijn in de tekening. Met de optie Retain Objects kun je aangeven of je wilt dat de geselecteerde objecten na het definiëren van het block al of niet op de tekening moeten blijven staan.
block intikken Idem aan het bmake-commando, maar dan via de commandoregel. Volg de opdrachten op de commandoregel om een block te definiëren. Als het block gedefinieerd is, verdwijnen de objecten in dat block van je scherm. Met het commando oops kun je deze weer terughalen.
Om een reeds gedefinieerd block te herdefiniëren (bijvoorbeeld om een ander insertion point mee te geven, dien je ook gebruik te maken van dit commando. Je moet er wel rekening mee houden dat reeds geplaatste blocks meteen mee veranderen. Bijvoorbeeld:

Je hebt van een deur een block gemaakt met de naam deur. Je tikt dan in block en de volgende regels verschijnen:

Command: block
Block name (or ?): deur [voer de blocknaam deur in]
Block DEUR already exists.
Redefine it? <N> y
Insertion base point: _end of [selecteer een insertion point]
Select objects: 1 found [selecteer de objecten die je in het nieuwe block deur wilt hebben]
Select objects: <ENTER>
Block DEUR redefined
Regenerating drawing.


Alle in de tekening aanwezige blocks met de naam deur worden nu veranderd in de nieuwe deur. Het 'origineel' (de objecten die je hebt aangeklikt om bij het block te horen) verdwijnt, maar dat kun je weer met oops tevoorschijn halen.

ddinsert
Insert | Block
Draw Toolbar
Met ddinsert kun je zowel in de huidige tekening gedefinieerde blocks invoegen, of eerder gemaakte tekeningen. Dit gaat via het dialoogvenster Insert. Je kunt hier tevens aangeven of je het insertion point, de schaal en de draaiing vantevoren wilt invoeren, of pas op de tekening zelf. Ook kun je er voor kiezen om het block of de file te exploden.
insert intikken Nagenoeg identiek aan het ddinsert-commando, maar dan via de commandoregel. Je kunt hier echter geen externe files mee invoegen. (Dus alleen in de huidige tekening gedefinieerde blocks.)
oops intikken Zie het commando block. Gebruik oops om de objecten weer te laten verschijnen.
wblock intikken Als je onderdelen uit je tekening wilt opslaan als een block, maar wel met een .dwg extensie, dien je dit commando te gebruiken. Je kunt dit block dan later als tekening opvragen (met ddinsert) in de huidige of een andere tekening.
Explode
Modify | Explode
Modify Toolbar
Met het commando Explode kun je blocks in hun afzonderlijke entiteiten splitsen. Hierdoor is het mogelijk om elke entiteit in dat block individueel te wijzigen.

Net zoals alle andere entiteiten in AutoCAD getekend worden op een layer, wordt een block ge-insert op een laag. Je moet er rekening mee houden dat kleuren, lagen en lijntypes, die je in een block hebt opgeslagen, niet altijd hetzelfde worden overgenomen als je een block insert in een andere tekening.
Stel, je hebt een block gemaakt op layer 0 (nul) met kleur en lijntype BYLAYER (te vinden in de properties toolbar). Wanneer je dit block dan insert in een tekening op een willekeurige laag, dan worden de kleur en het lijntype van die laag overgenomen en toegepast op het block.
Een block dat bestaat uit objecten met kleur en lijntype BYBLOCK wordt getekend met de kleur en het lijntype die op het moment van inserten actief (current) zijn. (Om een kleur in te stellen in een laag (anders dan de kleur die je aan die laaag had toegekend, selecteer je een kleur in de Properties Toolbar of via het menu Format | Colors). Je moet er dus voor zorgen dat je de objecten in een block (op meerdere lagen) elk van een eigen kleur voorziet. Je kunt hier het beste even mee experimenteren.

Je kunt blokken ook nesten. Dit houdt in dat je in een block een ander (al eerder gedefnieerd) block opneemt. Voor kleuren en lijntypen geldt hetzelfde als hierboven al is gezegd.


De tekening opwerken


Arceringen aanbrengen in een tekening

In plaats van het zelf tekenen van duizenden lijntjes om bijvoorbeeld aan te geven dat een muur uit bakstenen bestaat, kun je gebruik maken van de arcerings-opties die in AutoCAD aanwezig zijn. Dit gaat via de commando's hatch en bhatch. Het hatch-commando gaat via de commandoregel en produceert alleen zogenaamde non-associative hatches. Dit houdt in dat de arcering niet wordt aangepast aan eventuele veranderingen aan de entiteit. Wanneer dus een met het commando hatch gearceerde muur verandert van dikte, dan wordt de arcering niet automatisch aangepast aan die dikte. Je zult dan dus de arcering moeten verwijderen en opnieuw een arcering aanbrengen. Het andere commando om te arceren, bhatch, geeft je de mogelijkheid om zowel associative (houdt dus wel rekening met veranderingen aan de entiteiten) als non-associative arceringen aan te brengen. Om het commando te starten, selecteer je de menu-optie Draw | Hatch... of je klikt op de button in de Draw Toolbar. Intikken op de commandoregel kan natuurlijk ook. Het dialoogvenster Boundary Hatch verschijnt dan. Hierin kun je de arcering regelen.

Pattern Type Via de knop Pattern kun je een arcering kiezen, mits de optie pre-defined geselecteerd is
Pattern Properties Hier kun je eigenschappen van de gekozen arcering aanpassen. Afhankelijk van de geselecteerde optie onder Pattern (pre-defined, user-defined of custom) kun je hier waarden in verschillende velden invullen.
Boundary Met de knop pick points < kun je punten binnen objecten aanklikken. AutoCAD markeert de grenzen (boundaries) ervan. Voorbeeld:
Zoals je ziet, merkt AutoCAD dat er een cirkel aanwezig is binnen het geselecteerde gebied. Dit wordt gezien als een island (eiland) en wordt niet meegenomen in de arcering. Zou er nog een kleine cirkel in de cirkel staan, dan zou die kleinste cirkel wél worden gearceerd. Arceringen worden dus toegepast volgens het welles-nietes-principe: een gebied wel, een gebied niet, een gebied wel , een gebied niet enzovoort.
Met de knop Select Objects < kun je objecten zelf selecteren, waarbinnen een arcering moet worden aangebracht. Voorbeeld:
Hierbij houdt AutoCAD dus geen rekening met eventuele islands. Wanneer je dat toch wilt, dan moet je het object dat niet gearceerd moet worden, ook selecteren.



Dus:
Zowel de cirkel als het woord AUTOCAD zijn geselecteerd. De arcering loopt nu dus niet door dit woord heen.
Met de knop Remove Islands < kun je aangeven of objecten binnen een object wel of niet gearceerd moeten worden. Voorbeeld:
Je selecteert eerst het internal point, gevolgd door een <ENTER>. Hierna klik je op de button Remove Islands < en klik je de cirkel aan. Normaal gesproken (met Island Detection aan) zou de cirkel als een island gezien worden en dus niet mee gearceerd worden. Wil je dit wel, dan moet je dit island dus verwijderen (remove).
Met de knop View Selections < kun je zien welke boundaries geselecteerd zijn.
Met de knop Advanced... kun je nog een aantal eigenschappen van de toe te passen arcering aangeven, via het dialoogvenster Advanced Options. Onder andere kun je hier instellen of de Island detection aan of uit moet staan.
Preview Hatch < Hiermee kun je kijken hoe de arcering eruit komt te zien. Deze wordt op dat moment dus nog niet toegepast.
Inherit Properties < Hiermee kun je een reeds gemaakte arcering aanklikken. De eigenschappen hiervan worden dan overgenomen in het dialoogvenster.
Attributes Door het aanvinken van de keuze-optie associative geef je aan dat de arcering moet meeveranderen wanneer de entiteit veranderd wordt.
Door exploded aan te vinken wordt de arcering geëxplodeerd in afzonderlijke lijntjes.

Tekst toevoegen aan een tekening

Bij een (bouwkundige) tekening hoort ook tekst. AutoCAD biedt uitgebreide mogelijkheden om tekst op een tekening te zetten. Er zijn drie verschillende commando's om tekst bij een tekening te plaatsen, elk met zijn eigen karakteristieken.

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
Text intikken Dit is de eenvoudigste (minste mogelijkheden) manier om tekst toe te voegen op een tekening. Er wordt steeds één regel tekst geplaatst en na het geven van een <ENTER> wordt het commando afgesloten. Wordt daarna wederom een <ENTER> gegeven, dan wordt het commando hervat en wordt de tekst op de regel onder de voorgaande tekst geplaatst. De tekst wordt pas op de tekening weegegeven na het geven van een <ENTER>.
DText
Draw | Text | Single Line Text
Met Single Line Text (commando DText) zie je direct verschijnen wat je typt. Bij het geven van een <ENTER> kun je meteen verder typen op de volgende regel. Om het commando af te sluiten moet je twee keer een <ENTER> geven.
MText
Draw | Text | Multi Line Text
Modify Toolbar
Multi Line Text is de meest uitgebreide tekst-toevoeg-variant. Na het activeren van het commando, dient eerst een window gedefiniëerd te worden waarin de tekst komt te staan. Hierbij is de breedte bepalend (het window wordt automatisch hoger als de getypte tekst er niet in past, terwijl de breedte bewaard blijft; hele woorden worden echter niet afgekapt). In het dialoogvenster kun je typen en instellingen maken.

Maatvoering in een tekening

Om een tekening te voorzien van de nodige maten, kun je gebruik maken van de mogelijkheden die AtoCAD hiervoor biedt. Je kunt hierbij (heel) veel instellingen aan je eigen wensen aanpassen, zoals de stijl en de grootte van de maatlijnen, het lettertype, de manier van noteren van de maten en dergelijke. Al deze mogelijkheden worden hier echter niet behandeld. Als je je tekening een eigen karakter wilt geven (uiteraard wel passend binnen de oefeningen), dan kun je hier zelf mee experimenteren.
De verschillende opties om te maatvoeren kun je kiezen uit de Dimension Toolbar, of het Dimension Menu. De belangrijkste worden in onderstaande tabel uitgelegd.

TIP: Vergeet niet gebruik te maken van de Object Snap Tools voor het aanklikken van punten in de tekening!!

commando menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
dimlinear
Dimension | Linear
Dimension Toolbar
Wanneer je bijvoorbeeld een rechthoek van maten wilt voorzien, kun je gebruik maken van dimlinear. Je bent dan beperkt tot het plaatsen van maatlijnen in een orthogonaal stelsel (horizontaal of verticaal dus).

Command: _dimlinear

First extension line origin or press
ENTER to select: _endp of [selecteer een hoekpunt van de rechthoek]
Second extension line origin: _endp of [selecteer een ander hoekpunt van de rechthoek]
Dimension line location (Mtext/Text/Angle/
Horizontal/Vertical/Rotated): [geef de plaats aan waar je de maatlijn wilt hebben of selecteer een optie]

Dimension text = 80.5 [de maat wordt er automatisch ingezet]


In plaats van het aangeven van de hoekpunten, kun je, na het geven van <ENTER>, de rechthoek selecteren. Automatisch worden dan de hoekpunten geselecteerd.

dimaligned
Dimension | Aligned
Dimension Toolbar
Op dezelfde manier als bij de lineaire dimensionering kun je met deze mogelijkheid maatlijnen plaatsen, maar dan onder een hoek, evenwijdig aan (aligned) het object dat je wilt maatvoeren.
dimradius
Dimension | Radius
Dimension Toolbar
Om de straal (radius) van een cirkel of boog (arc) aan te geven kun je gebruik maken van dimradius. Wanneer je een cirkel of een boog selecteert, ontstaat er een lijn vanaf het middelpunt, waarbij de straal vermeld staat. Deze maat wordt dan vooraf gegaan door de letter R (van Radius). Je kunt nog kiezen of je de maatlijn binnen of buiten de cirkel of boog wilt hebben staan.
dimdiameter
Dimension | Diameter
Dimension Toolbar
Dit gaat op dezelfde manier als het maatvoeren van de straal van een cirkel of boog, alleen wordt de diameter aangegeven.
dimcontinue
Dimension | Continue
Dimension Toolbar
Om meerdere maten naast elkaar te zetten (bijvoorbeeld wanneer je een huis hebt getekend en je wilt op één maatlijn de hele gevel maatvoeren), dan kun je gebruik maken van dimcontinue. Er wordt dan verder gegaan vanaf het laatst geselecteerde punt, waarbij de maatlijn op dezelfde hoogte komt te staan als de vorige.
dimbaseline
Dimension | Baseline
Dimension Toolbar
Met dimbaseline wordt steeds vanaf een vast punt (of een opnieuw te selecteren basepoint) gemaatvoerd. Op deze manier worden er meerdere maatlijnen boven elkaar geplaatst, waarbij te zien is hoever een punt in de tekening verwijderd is ten opzichte van dat basispunt.

3D Modelleren


3D-Entiteiten

Om een drie-dimensionale tekening te maken, moet je uiteraard 3D-objecten definiëren. Deze zijn eerder in het gedeelte over 3D-entiteiten behandeld.

Gridlijnen

GridIn het bouwkundig modelleren zal je veelvuldig van een grid gebruik maken. Je kan hiervoor de Grid instellingen gebruiken van AutoCAD, zoals hiervoor al uitgelegd. Maar vaak zal dit niet voldoende zijn, wanneer er bijvoorbeeld een alternerend grid nodig is (bijvoorbeeld een bandrooster van alternerend 300 en 900 mm), wanneer een combinatie van grids gewenst is (bijvoorbeeld een orthogonaal en een diagonaal grid), of wanneer je gebruik wil maken van de lijnen die door het grid lopen, bijvoorbeeld om daarmee objecten te genereren. Met name dit laatste zullen we veelvuldig gebruiken in de oefeningen.

We moeten de gridlijnen dus zelf gaan tekenen. Wel kunnen we daarvoor natuurlijk gebruik maken van de Grid instellingen van AutoCAD. Het grid kan op verschillende manieren getekend worden, door gebruik te maken van de commando's Line, Trim, Offset, Array, etc.
Ook radiale gridlijnen zijn op deze manier te construeren. Op basis van het grid kan je nu in 2D en in 3D je model verder gaan opbouwen.

Views en Viewports

Views3D ViewPointViewpoints

Zodra je in 3D gaat modelleren voldoet het niet langer om in het platte vlak naar je model te kijken. Gebruik daarom vanuit de Standard Toolbar de verschillende mogelijkheden om een andere View te kiezen. Er is er een aantal voorgedefinieerd. Je kan ook nog zelf een View maken, door uit het View menu 3D Viewpoint te kiezen, en bijvoorbeeld de optie Tripod. Je ziet dan een 'tripod' die de X,Y, en Z-assen aangeeft en een tweetal cirkels waarin je je positie kan kiezen. Selecteer een kwadrant van waaruit je naar je model wil kijken. In de binnenste cirkel kies je een punt waarbij je van boven kijkt, in de buitenste kijk je van onder af naar het model. Experimenteer hier maar mee...
Met het commando Plan optie World kan je altijd terug naar het platte vlak van je model.


Viewports

Wanneer je tegelijkertijd vanuit meerdere oogpunten naar je model wilt kijken, moet je gebruik maken van verschillende viewports. Dit zijn vensters op je tekening, waarin je per venster kunt aangeven wat het gezichtspunt is. Om je tekenscherm in te delen met een voorgedefinieerde layout van viewports, selecteer je View | Tiled Viewports | Layout en kiest een indeling die je handig lijkt. Per viewport kun je nu een viewpoint instellen, op dezelfde manier als hierboven beschreven.

Named Views

Als een bepaald viewpoint je bevalt, maar het is misschien moeilijk om precies dit viewpoint steeds opnieuw in te stellen (gemaakt met de tripod bijvoorbeeld), dan kun je een view opslaan. Om een viewpoint op te slaan, doe je het volgende:
Ga in een viewport staan en definieer een viewpoint (zie hierboven).

1. Klik op de button (in de standard toolbar) of ga naar het menu View | Named Views... . Het dialoogvenster View Control verschijnt.
2. Door nu op de knop New... te drukken kun je in het venster New View een naam opgeven en aangeven of je het hele venster of een gedeelte ervan als nieuw viewpoint wilt instellen.
3. Klik op Save View en het viewpoint wordt opgeslagen en in de lijst met zelf gedefinieerde viewpoints gezet.
4. Klik op ok.


Wanneer je een opgeslagen viewpoint wilt bekijken (instellen in een venster), dan dien je dit beeld te restoren. Hiertoe selecteer je in het dialoogvenster View Control het viewpoint dat je wilt hebben, druk op Restore en daarna op ok.

Parallelle projectie en Perspectief

In plaats van alleen te kijken naar een plattegrond of een isometrie van je tekening, kun je ook kiezen voor een parallelle projectie of een perspectief. Bijgaande afbeelding maakt duidelijk wat het verschil hiertussen is:
Om bijvoorbeeld een straatbeeld te creëren, waarbij je bestudeert wat de zichtlijnen zijn, kun je heel goed gebruik maken van de mogelijkheden van de perspective view. Beide projectievormen kun je instellen met het commando dview (van dynamic view). Dit is te bereiken via het menu View | 3D dynamic view..., of door in te tikken op de commandoregel. Je kunt eerst de objecten selecteren die je wilt zien. Na een <ENTER> heb je de volgende mogelijkheden:

TIP 1: als je alle objecten wilt selecteren, dan kun je bij de prompt Select Objects als antwoord all intikken.
TIP 2: Wanneer je niets selecteert, maar wel een <ENTER> geeft, krijg je een huisje te zien. Je kunt aan de hand van dit huisje je viewpoint instellen.

camera Bepaal de view door de muis te bewegen of een hoek in te geven. Je kijkt nu eigenlijk door een camera naar het model. Deze camera wordt standaard in het midden van de tekening geplaatst. Als je deze camera op een andere plaats wilt hebben, beweeg je de muis naar dat punt, klik je met de rechter muisknop en voer je de hoeken in. Als de view goed is, druk je op <ENTER>. Je hebt nu een parallelle projectie. Als je een perspectief wilt hebben, dan dien je, na het instellen van de camera, een afstand op te geven via distance (zie deze tabel). Het UCS-icoon verandert in een perspective view van een box.
target Hiermee kun je het richtpunt veranderen (oftewel het punt waar je naar kijkt door de camera) door een hoek op te geven.. De camera blijft op dezelfde plaats staan.
distance Om de perspective view aan te zetten, voer je, na het instellen van je camerapositie en -hoek, een afstand (distance) in. Je kunt dit doen met behulp van de slider bar bovenin beeld of door het intikken van een nieuwe afstand.
points Points kun je gebruiken om eenvoudig het camera- en het richtpunt op te geven. Met behulp van het pointfilter .XY kun je bijvoorbeeld eenvoudig een punt in het platte vlak selecteren, waarna je de (kijk)hoogte handmatig invoert.
pan Met pan kun je je beeld als het ware opschuiven, analoog aan het 'gewone' pan-commando.
zoom Net als bij een zoomcamera kun je hier een waarde voor het brandpunt invoeren. Standaard staat de waarde op 50mm, zodat je ongeveer hetzelfde beeld te zien krijgt als wanneer je door je eigen ogen zou kijken. Met een grotere brandpuntsafstand kun je inzoomen (telelens), met een kleinere uitzoomen (groothoeklens).
twist Wanneer je de camera wilt draaien om zijn eigen as, kun je twist gebruiken. Voer een hoek in of klik met de muis een punt aan.
clip Met clip kun je bepalen welk gebied je in een tekening wilt zien. Dit doe je door, haaks op de kijkrichting, één of twee vlakken te creëren, een zogenaamd front clip en een back clip. Alle objecten die voor of achter de clipping vlakken liggen, worden niet afgebeeld. Na het kiezen van de optie twist kun je kiezen voor Back, Front of Off. Met de eerste twee opties stel je de vlakken in met behulp van de slider bar, of door het invoeren van een waarde. Met Off zet je het clippen weer uit, zodat de normale (niet geclipte) view weer te zien is. Het resultaat van het clippen in dit voorbeeld wordt dus:


In plaats van meerder twee-dimensionale tekeningen te maken, kun je met clipping eenvoudig een doorsnede maken van een drie-dimensionale tekening, bijvoorbeeld een woning.
hide Om de lijnen te verbergen van de 3-dimensionale objecten.
off Hiermee zet je de perspective view uit.
undo De laatste actie ongedaan maken.
exit Hiermee verlaat je het commando dview.

UCS

UCS fly-outTot nu toe hebben we alle objecten gemodelleerd in het platte vlak van de tekening, dan wel in de ruimte die loodrecht op dit platte vlak staat. Het coördinaten-stelsel dat je krijgt wanneer je een nieuwe tekening opstart heet het WCS: World Coordinate System. Dit is het 'absolute' coördinaten stelsel in AutoCAD. Je kan een coördinaten-stelsel echter ook transleren en roteren. Daardoor krijg je een UCS: een User Coordinate System. In de Standard Toolbar vind je de buttons voor het veranderen van het UCS als een fly-out, of je opent de UCS Toolbar.

Cylinders in rotated UCSDe eenvoudigste methode is het kiezen van een 'Preset UCS', met de button Preset UCS. Uit de UCS orientation dialog kan je een van de voorgedefinieerde instellingen kiezen.

Je kan het UCS ook helemaal zelf bepalen. Kies bijvoorbeeld de button X Axis Rotate UCS om het UCS te roteren om de X-as. Wanneer je daarbij 90 graden intikt, krijg je een UCS dat correspondeert met de 'voorkant' van je model
Zorg dat je het Viewpoint zodanig hebt gekozen dat je ook in 3D naar het model kan kijken.

Zodra het UCS is gewijzigd kan je objecten creëren die op een andere manier zijn georienteerd, zoals bijvoorbeeld de vorm hierboven. De bewerkingen op 3DSolids kan je doen onafhankelijk van het UCS waarin ze zijn gemaakt. Dat wil zeggen dat je twee cylinders uit verschillende UCS-en bij elkaar kan optellen

Met behulp van een UCS kun je makkelijker punten precies definiëren of objecten plaatsen op de manier zoals jij dat wilt. In onderstaande tabel staat een aantal opties uit de UCS Toolbar beschreven.

'commando' menu, button en / of toolbar uitleg / voorbeeld
Origin UCS
Tools | UCS | Origin
UCS Toolbar
Met deze tool kun je de oorsprong (origin) van je UCS wijzigen. Voor het plaatsen van objecten kan het handig zijn om een ander (makkelijker) referentiepunt te hebben dan de origin van het WCS. Om de origin te verplaatsen selecteer je de optie uit het menu, je gebruikt de button of je tik ucs en dan o in.

Command: _ucs
Origin/ZAxis/3point/OBject/View/X/Y/Z/Prev/
Restore/Save/Del/?/<World>: _o
Origin point <0,0,0>: [selecteer een punt in de tekening]

Om terug te keren kun je altijd het WCS (bijvoorbeeld via de button op de UCS Toolbar) weer selecteren.

Save UCS
Tools | UCS | Save
Een zelf gedefinieerd UCS kun je opslaan voor later gebruik. Je dient hiertoe je UCS te saven; dit kun je doen via het menu of via de commandoregel.

Command: _ucs
Origin/ZAxis/3point/OBject/View/X/Y/Z/Prev/
Restore/Save/Del/?/<World>: s
?/Desired UCS name: ander_hoekpunt [geef een naam aan het UCS]

Met het vraagteken kun je opvragen welke namen er reeds in gebruik zijn, zodat je geen dubbele namen gebruikt.

Named UCS
Restore UCS
Tools | UCS | Named
UCS Toolbar
Wanneer je een UCS hebt opgeslagen, dan kun je dit weer opvragen via de UCS-Toolbar of het Tools-menu. Zowel de optie Named UCS als Restore leiden tot hetzelfde resultaat; het verschil is dat het restoren van een UCS via de commandoregel gaat (je moet dus de naam van het UCS intikken, eventueel na het opvragen van de gedefinieerde UCS'sen), en dat je via de toolbar het dialoogvenster UCS Control te zien krijgt waaruit je een UCS kunt selecteren. Na het selecteren moet je op op de button Current drukken om het UCS actief te maken.
World UCS
Tools | UCS | World
UCS Toolbar
Je kunt altijd terugkeren naar het World UCS door één van de hiernaast staande opties aan te klikken, of via de commandoregel.
UCS Icon
View | Display | UCS Icon...
Wanneer je switcht van WCS naar een UCS, verandert het origin-icoon (het assenstelsel linksonder in beeld): de W (van WCS) in dit icoon verdwijnt. In een UCS kun je dit icoon naar wens aan- of uitzetten, en naar keus op de origin van dat UCS of op de origin van het WCS. Als het icoon op de origin van het UCS staat, komt er een kruisje in te staan (vergelijkbaar met de W in het WCS).

Composities

Het maken van een compositie van 3DSolids kan je doen met behulp van diverse principes die uitgelegd worden in het Architectuur 1 dictaat "Beeldcompositie" van Th. Dubbelman.

Een aantal van deze principes zullen hier worden behandeld aan de hand van de AutoCAD werkwijze die daarbij kan worden toegpast. De commando's vind je steeds op de Modify Toolbar of de Modify II Toolbar. De principes uit het dictaat Architectuur 1 die niet worden genoemd zijn niet eenvoudig uit te voeren in AutoCAD.

principe / bewerking AutoCAD werkwijze
Symmetrie Er zijn geen speciale faciliteiten in AutoCAD die de symmetrie van een model voor je bewaken, echter het gebruik van Snap, Grid en Ortho kunnen hierbij wel helpen. Het is wel belangrijk dat je de begrippen symmetrie, a-symmetrie, dis-symmetrie, en deel-symmetrie toepast bij het ontwerpen en daarmee bij het modelleren en representeren.
Vervorming / oprekking Het vervormen van een object kan je doen door het verschuiven van punten die het object definiëren, danwel door punten toe te voegen. In AutoCAD gaat dit goed op het 2D niveau: gebruik het commando Stretch (niet op alle entiteiten...) of voor bijvoorbeeld Polylines het commando PEdit. Regions kunnen niet worden getransformeerd en moeten opnieuw worden gegenereerd. In 3D wordt het ook een stuk lastiger, zoniet onmogelijk om 3DSolids te vervormen of op te rekken. Voor Regions en 3DSolids zijn er daarentegen wel zogenaamde Boolean operaties, waarover verderop meer.

Het is dus van belang dat je voorziet welke vervormingen je nodig zult hebben in 3D, om ze toe te passen in een 2D stadium.
Translatie Translatie is de verplaatsing van een object: In AutoCAD gaat dit met het commando Move. Copy en Rectangular Array zijn in feite ook vormen van translaties. Je kan hierbij ook een verplaatsing in Z-richting opgeven (0,0,300 is een verplaatsing 300 in Z-richting). Handige hulpmiddelen bij translaties zijn de verschillende wijzen van coördinaten invoeren en de coördinaat-filters, en wederom het gebruik van Snap en Ortho.
Arrays kun je ook in drie dimensies maken met behulp van het commando 3darray of via het menu Modify | 3D operation | 3D array. Je moet dan dus voor drie dimensies translatiewaarden invoeren.
Rotatie Rotatie kan je doen met het commando Rotate of met Rotate3D. Bij Rotate3D heb je de vrijheid om de as te kiezen waarom wordt geroteerd, terwijl je bij Rotate altijd om de Z-as roteert. In beide gevallen heb je de mogelijkheid voor het roteren eerst een referentie-lijn aan te geven, dit is default de 0-richting (de positieve X-as). Een Polar Array is ook een vorm van rotatie.
Spiegeling Spiegeling kan in AutoCAD met Mirror en Mirror3D. Een spiegeling met Mirror3D biedt daarbij de vrijheid om het vlak van spiegeling te kiezen in 3 dimensies, terwijl dit bij Mirror in 2D altijd loodrecht op het tekenvlak staat.
Verschaling Geometrische objecten kan je in principe in 3 richtingen afzonderlijk verschalen. In AutoCAD ligt dat niet zo voor de hand. We beperken ons in deze oefeningen daarom tot gelijkmatige verschaling in alle 3 richtingen. Gebruik hiervoor het commando Scale. De verschaling geef je aan ten opzicht van een gekozen punt, en eventueel met behulp van een referentie-afstand die je als eenheid kunt beschouwen. Geef de verschaling vervolgens aan als een factor.
Subtractie / Additie Rendered Object with Boolean operationsSubtractieve en additieve transformaties (het aftrekken en optellen van vormen) kan in AutoCAD met Regions in 2D en 3DSolids in 3D. Op de Modify II toolbar zie je daarvoor een drietal commando's: Union, Subtract, en Intersection. Je kan daarbij steeds meerdere objecten selecteren die tegelijk moeten worden bewerkt.
NB.: Wanneer je een object in tweeën snijdt door subtractie, blijven de twee delen toch samen één object vormen.

Tip: Gebruik af en toe Hide en Regen om je model te evalueren. Met Render krijg je een al wat meer geavanceerd plaatje. Later in 3DStudio zullen we het model echter beter presenteren.
Snijden Een 3DSolid kan je nog op een andere manier bewerken: je kan er in snijden met het commando Slice op de Solids Toolbar. Op diverse manieren kan je hierbij een vlak definiëren waarmee je een solid in tweeën kan snijden. Vervolgens kan je nog aangeven welke zijde van de snede (of alletwee) je wil bewaren.
In de meeste gevallen zal het 't gemakkelijkst zijn om een punt aan te geven op één van de volgende vlakken voor het snijden: het XY vlak, het YZ vlak, of het ZX vlak, steeds ten opzichte van het actieve UCS. Ook kan je dit vlak bepalen door 3 punten in te voeren, bijvoorbeeld eerst een lijn in het XY vlak en vervolgens een punt in de hoogte: zie het voorbeeld hieronder. Het punt a geeft aan welke zijde je wil bewaren.
Arrangementen De verschillende mogelijkheden voor het maken van een compositie, zoals hierboven genoemd, kan je gebruiken voor verschillende organisatie-patronen van vormen, zoals:
- bij elkaar geplaatst;
- tegen elkaar geplaatst;
- met een gemeenschappelijk raakvlak geplaatst;
- in elkaar geschoven.
Zie ook het Architectuur 1 dictaat.
Patronen De bovenstaande transformaties kunnen worden uitgevoerd op basis van een veelheid aan arrangementen. Gebruik hiervoor de technieken zoals omschreven bij Gridlijnen. Zo kan je op basis van een grid een arrangement van regions tekenen dat je vervolgens kan optrekken in de 3e dimensie en bewerken met de bovengenoemde commando's. Zie ook het Architectuur 1 dictaat.

Inkleuren van een tekening

Naast het verbergen van lijnen met het commando hide, kun je met behulp van het commando shade vlakken inkleuren, Een stap verder gaat het renderen van een tekening met het commando render. Hierbij worden verschillende eigenschappen aan de entiteiten meegegeven, alsmede een lichtbron en een camerapunt ingesteld. Het totaal aan instellingen wordt een scene genoemd.

Shade

Met shade geef je een schaduw mee aan de (3D-)entiteiten in je tekening, zodat er een realistischer beeld ontstaat. Het shade-commando kun je intikken, activeren via de button op de Render Toolbar of via het menu View | Shade. Wanneer je gebruik maakt van viewports, dan wordt alleen de actieve viewport 'geshaded'. Er wordt gebruik gemaakt van een lichtbron die 'achter je staat' en een aantal variabelen. Twee van deze variabelen kun je een waarde meegeven, zodat je het beeld enigszins aan je wensen kunt aanpassen. De derde is afhankelijk van de hoek van waaruit je naar de objecten kijkt.

variabele waarde en /of effect
shadedge
(intikken op de commandoregel)
shadedge = 0 voorziet de faces van een schaduw. De randen worden hierbij niet opgelicht. Voorbeeld:
shadedge = 1 voorziet de faces van een shaduw. De randen worden in de achtergrondkleur getekend. Voorbeeld:
shadedge = 2 kleurt de faces in de achtergrondkleur. De randen worden in de kleur van het object getekend. Voorbeeld:
shadedge = 3 (default-instelling) kleurt de faces in de kleur van het object (zonder schaduw toe te voegen). De randen worden in de achtergrondkleur getekend. Voorbeeld:
shadedif
(intikken op de commandoregel)
shadedif = 0 shadedif = 100

Hiermee wordt de verhouding tussen diffuse reflectie en ambient reflectie van het licht ingesteld. Deze variabele kan een waarde hebben tussen 0 en 100 %. Standaard staat deze op 70 %. Een lage waarde (0 %) resulteert in een licht object, een hoge waarde (100 %) in een donker object. Voorbeelden:

hoek Afhankelijk van de hoek van waaruit je naar de objecten kijkt, verandert het schaduw-effect. Wanneer je recht op een object kijkt, wordt dit donker; hoe 'platter' het object ligt, hoe lichter. Pas dus het viewpoint aan om het beste resultaat te krijgen. Het beste is om hier even mee te experimenteren.

Render

Een stap verder dan het aanbrengen van een schaduw met een vastliggende lichtbron, is gebruik te maken van de render-mogelijkheid die AutoCAD biedt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een meer geavanceerde schaduw-berekening, waardoor er een min of meer levensecht beeld ontstaat. In het Render dialoogvenster kun je eigenschappen instellen voor de te renderen scene. De meeste opties zijn ook rechtstreeks te vinden op de Render Toolbar. Hierop kun je ook lichten en materialen instellen.

commando menu, button en /of toolbar voorbeeld / uitleg
render
View | Render | Render...
Render Toolbar
Hiermee kom je in het Render dialoogvenster van waaruit je verschillende eigenschappen kunt instellen. Hier stel je onder andere in welke scene gerenderd moet worden, of er rekening gehouden moet worden met schaduwen en of er een achtergrond bij moet. Wanneer je materialen gebruikt met mappings moet je bij het rendering type minimaal de optie Photo Real geselecteerd hebben, anders worden deze materialen niet afgebeeld na renderen. Onder de knop More Options kun je instellen of rekening gehouden moet worden met de normaalrichting van vlakken. Dit heeft te maken met de rekentijd die nodig is. Als de optie Discard back faces aanstaat, zal het renderen sneller gaan, omdat de vlakken waarvan de normaal naar binnen staat, niet berekend worden. Een normaal wordt juist geplaatst wanneer de tekenrichting tegen de klok in is. Bij solids zorgt AutoCAD daar zelf voor, maar als je zelf surfaces maakt, moet je hier rekening mee houden.
scenes
View | Render | Scene...
Render Toolbar
In scenes kun je aangeven welke lichtbronnen actief moeten zijn en welke view actief is in die scene. Meerdere lichtbronnen kunnen tegelijkertijd geselecteerd worden door de CTRL-toets ingedrukt te houden tijdens het selecteren.
lights
View | Render | Light...
Render Toolbar
Via het dialoogvenster Lights kun je de instellingen voor de ambient lichtbron regelen, nieuwe lichtbronnen aanmaken en aangeven waar het noorden is (North Location). Er zijn drie soorten lichtbronnen: pointlights, die licht naar alle kanten uitstralen, distant lights, waarmee je bijvoorbeeld de zon kunt nabootsen (zelfs door het opgeven van een locatie op aarde) en spotlights, die gericht licht geven. Via hun dialoogvensters kun je de instellingen voor elke lichtbron apart maken.
materials
View | Render | Materials...
Render Toolbar
Door het meegeven van materialen aan objecten, kun je het realiteitsgehalte van een gerenderd beeld sterk verhogen. Via het dialoogvenster Materials kun je onder andere reeds in de tekening aanwezige materialen kiezen en via de knop attach aan entiteiten koppelen. Tijdens renderen van de tekening worden de eigenschappen van die materialen verwerkt in de berekening en krijg je een realistisch beeld. Wil je een nieuw materiaal kiezen uit de bibliotheek, dan kun je dat ophalen door middel van de knop materials library. Je kunt materialen wijzigen via de knop modify. Dit brengt je in het dialoogvenster Modify Standard Material. In het attributes-gedeelte kun je een eigenschap selecteren en deze vervolgens wijzigen. Bij een materiaal met een mapping, dien je eventueel zelf het pad naar de bijbehorende afbeelding op te geven.
material library
View | Render | Materials Library...
Render Toolbar
In de Materials Library zit een groot aantal voorgedefinieerde materialen, inclusief hun specifieke eigenschappen, zoals kleur, transparantie en textuur. Je kunt in de rechter kolom een materiaal kiezen, eventueel bekijken met behulp van de preview-optie en via de knop import naar de library van je tekening transporteren. In de linker kolom komen dan de materialen te staan die je kunt gebruiken (via het hierboven beschreven materials-commando). Als er materialen in de library van de tekening staan die je niet gebruikt, kun je deze hieruit halen met de knop purge. NIET via delete, want daarmee haal je materialen uit de originele library!!
mappings
View | Render | Mapping...
Render Toolbar
Wanneer je gebruik wilt maken van mappings, moet je per entiteit het soort mapping instellen. Je kunt kiezen uit Planar, Cylindrical, Spherical of Solid. Dit kun je selecteren in het dialoogvenster Mapping. Hier kun je ook zelf coördinaten invoeren.
background
View | Render | Mapping...
Render Toolbar
Via het dialoogvenster Background kun je aangeven wat voor een achtergrond je bij het gerenderde beeld wilt.Ook hier kun je weer kiezen uit diverse mogelijkheden, bijvoorbeeld om een gradient of een plaatje toe te passen.

Naar 3DSNaar 3D Studio

Voor het transporteren van je model van AutoCAD naar 3D Studio kan je gebruik maken van het commando 3DSOUT in AutoCAD. Tik het commando in, of selecteer het 3ds file formaat onder File Menu | Export.

Na het selecteren van de entiteiten om verder te bewerken in 3D Studio, moeten in de 3DSOUT dialoogbox de opties Layers, Auto-Smoothing en Auto-Welding aan staan. Op deze manier worden de objecten in 3DS gemaakt op basis van de layers in je AutoCAD model. Bovendien wordt de geometrie zo optimaal mogelijk getransporteerd.

In 3D Studio kan nu met File | Load het model worden ingeladen. Later kan je altijd nog nieuwe onderdelen bijmaken in AutoCAD en deze in 3DS 'bijladen' met behulp van het commando File | Merge.

Tutorial Printen?

Kies, terwijl je de tutorial op het scherm hebt staan, de Print optie uit de web browser om het hele document af te drukken. Denk er aan eerst in dit tekst gedeelte (dit rechter frame) te klikken voordat je de printopdracht geeft.
Je kan ook in deze tekst rechts-klikken en de optie Print selecteren.



Design Systems

Copyright © 1998 - 2005. Design Systems.
Eindhoven University of Technology.

For questions, comments, or technical problems, please contact the webmaster.